Monday, April 30

13th century - mid 14th century embroidered tassels

I was working on a few tassels, and I thought that I might as wel write another tutorial about it:

I think most (late) 14th century tassels were adorned with a turkish head knot. However, I saw some examples of tassels embroidered with gold thread too. This type of tassels were used in the 13th and 14th century, probably until ca 1350. You can find pictures of these type of tassels in:

  • Hoving, T., Husband, T., Hayward, J. (1975), The secular spirit: Life and art at the end of the Middle Ages: New York: The Metropolitan Museum of Art v
  • Schneider, J. (1975), Textilien. Catalog der Sammlung des Schweizerischen Landesmuseums Zürich, Zürich: Verlag Berichthaus
  • Wilckens von, L. (1991), Die textilen Künste. Von der Spätantike bis um 1500, München, Verlag CH Beck

For online pictures, click here (insert LM 1825 a, LM 1825 b), here or here.

This is how I make these tassels. I used Aurora 2 ply silk for the tassels and Tanja Berlin's Japanese gold K4 (beautiful gilded silver thread!)



Make a basic silk tassel and a roll of linen







Wrap the linen around the tassel head







Wrap a silk thread around the linen core and attach with tiny stitches. And have a lot of patience! For me, this feels more like sculpure than embroidery :-)





Wrap the gold thread around the tassel head and attachit with tiny silk stitches.









The finished tassel

Sunday, April 29

Finishing the seams of 14th/15th century pouches

{ Edit (by Isis): I thought I'd add a link here to an older (Dutch) post I did on the finishing of seams. Also it might be worth noticing that possibly the "lussenvlechten" as described by Machteld in this post, also seems to have been used on clothing. Read about this here. }

The internet connection stil works, and I've got a few days off, so it's time for a post I promised a few weeks ago :-)

Finishing the seams of 14th/15th century pouches

The outward seams of (embroidered) textile pouches can be finished in at least two ways. One method is to cover the seams by tablet weaving. There are some examples of textile pouches finished with this technique in Dress accessories (Egan, G., Pritchard, F. (2002), Dress accessories. c.1150- c.1450, London: The Boydell Press). The side seams of the 14th century London textile pouches discussed in this book are covered with tablet weaving.

Another technique is that of “embroidered braids”. The technique is described by Frida Sorber (Ceulemans, 1988, in Dutch) and she calls it “lussenvlechten”. I haven't found an English translation yet, so I just call it “embroidered braids”, because that's what the technique is all about. Some authors present descriptions of pouches, and seem to try to describe this type of braided finishes. In his embroidery manual “A stitch out of time” Wymarc, for example, describes his observations of the finishing of the German14th century pouches in the Victoria & Albert as follows: “The seams of the bag are covered with a decorative stitch. The stitch is composed of alternating colors, red and what might have once been gilt. I cannot be sure how the stitch was done, but I have re-created it using two needles (one for each color) and threading each color up through the previous stitch and back down, in a kind of double running stitch.” (p 41) Schmedding (1978) describes the finishing of a Swiss 15th century purse as follows: “Alle Kanten sind mit Grünen Seidenzwirnen und Goldfäden (...) in einer Art Flechttechnik befestigt.” p 190

It seems to have been quite common technique in the European mainland in the 14th and 15th century. You can find examples of purses finished with embroidered braids in these books and/or musea:

the Netherlands , Maastricht St Servaas Cathedral
Staufer, A. (1991), Die mittelalterlichen Textilien von St. Servatius in Maastricht, Bern: Abegg-Stiftung Riggisberg
Belgium, Tongeren
Ceulemans, C. (1988), Tongeren. Basiliek O.L. Vrouwe Geboorte. I. Textiel van de vroege middeleeuwen tot het Concilie van Trente, Leuven: Peeters
Germany, e.g. in Victoria and Albert Museum
Wymarc, “A stitch out of time”
Switzerland, Zürich, Sweizerisches Landesmuseum
Schmedding, B. (1978), Mittelalterliche Textilien in Kirchen und Klöstern der Schweiz, Bern: Abegg-Stiftung
Schneider, J. (1975), Textilien. Catalog der Sammlung des Schweizerischen Landesmuseums Zürich, Zürich: Verlag Berichthaus

Some conclusions drawn from the literature discussed above and my own observations of purses in Maastricht and Zürich:
each seam is covered with a braid
use contrasting colours in silk or silk and gold thread
tassels are attached over the seams

This is how I apply the technique:


attach two loops of thread (A and B) to the inside of the pouch







attach loop A







attach loop A, finished









pull loop B through loop A and attach loop B





pull loop A through loop B and attach loop B







cover all sides

Friday, April 27

Another little sidewalk

Besides a lot of Danish church art I have a link for you to a photo blog with 16th century English effigies and sculpture:

http://plainattyre.blogspot.com/

15th century dutch costume

I made a summary of this article - B. Dubbe, Bijdrage tot de kennis van de burgerkleding in de late Middeleeuwen, in: Antiek; tijdschrift voor liefhebbers en kenners van oude kunst en kunstnijverheid, zevenentwintigste jaargang, no. 9, 1993, pp. 433-448. - for my course 'History of the Middle Ages' at University.
I thought I'd post it here, for those interested. Sadly I have to announce that it is in Dutch...

Van draad tot stof. Van kleding tot mode.

Soorten Textiel. Textielproductie en handel.
In de late middeleeuwen werden er heel wat verschillende soorten textiel verwerkt in kleding. De goedkoopste stof die voornamelijk voor ondergoed (maar ook lakens, slopen, tafellakens, servetten en hoofd- en halsdoeken) werd gebruikt was linnen. Vlas werd door de vrouwen thuis tot garen gesponnen. De garens werden vooral door gespecialiseerde linnenwevers tot linnendoek geweven.
Wollen stoffen werden geïmporteerd of waren van binnenlandse productie. Engeland exporteerde aanvankelijk veel wol naar het Europese continent, in het bijzonder naar Vlaanderen en Brabant, waar de rauwe wol verwerkt werd tot laken (vervilt wollen weefsel). Later echter werd wol in Engeland zelf op grote schaal tot stof geweven, die vervolgens werd uitgevoerd. Tussen 1247 en 1544 viel de Engelse export van wol met 92% procent terug, van ca. 45.000 tot omstreeks 3.500 zakken, terwijl in dezelfde periode de uitvoer van laken steeg van bijna niets tot 140.000 balen. Dit laken uit Engeland werd in de late middeleeuwen vooral in Antwerpen, maar ook op andere internationale jaarmarkten verhandeld.
Katoen was tijdens de late middeleeuwen al gekend in onze contreien, maar was veel duurder dan het linnen wat lokaal vervaardigd kon worden. Naast katoen kende men ook veel verschillende soorten zijden stoffen, zoals brokaat, damast, fluweel,… Deze waren echter erg duur en enkel toegankelijk voor de rijke burgers en adel.
De stoffen werden vooral gekleurd met plantaardige verfstoffen, maar soms werd er ook geverfd met dierlijke producten, bijvoorbeeld de schildluis. De kleur blauw werd verkregen door de bladeren van de in de omgeving van Keulen, Erfurt en in het Gulikse verbouwde wede of pastel te drogen, te fermenteren en te vermalen. Het verkregen poeder werd opgelost in water, hetgeen een blauwe verfstof gaf. Voor heel fijne stoffen gebruikte men het duurdere indigo als verfstof. De rode kleur werd geleverd door de wortel van de op de Zeeuwse en Hollandse eilanden geteelde meekrap, die nadat de buitenste bast en de houtachtige pit was verwijderd tot poeder was vermalen. Gele stof werd verkregen uit de bloemen van saffloer. Jeneverbessen en zwarte aalbessen gaven een groene kleur. Grijze en bruine stoffen waren meestal ongeverfd en dus afkomstig van donker gekleurde schapen.
Om bovenkleding te voeren of af te boorden werd regelmatig gebruik gemaakt van bont. Uit Oost Europa werden huiden van in het wild levende dieren aangevoerd. Behalve van otter en bunzing werd bont gebruikt van het lam, de vos, de bever en de marter.

Kleding voor de gewone man en vrouw.
Wat betreft de kleding kan veel informatie gehaald worden uit boedelinventarissen. Hierin worden echter geen bijzonderheden gegeven over het model, het uiterlijk, van de geïnventariseerde kledingstukken, terwijl in veel gevallen de soort stof waaruit ze werden vervaardigd en ook de kleur niet worden vermeld. Men kan echter wel deze historische informatie gaan vergelijken met kunsthistorische en archeologische bronnen om tot een vollediger beeld te komen.

De kleding zoals ze hier wordt opgesomd, is die van de gewone burger, de stoeldraaier, de kramer, de wever, de brouwer.

De kledij van de burgerman bestond in die tijd, behalve uit zijn onderkleren, uit de hosen, het wambuis, een rok, de tabbaard en de mantel, terwijl zijn hoofd bedekt was door de kovel (een soort kap), muts of vilthoed.
Het ondergoed van de mannen bestond uit een hemd en een onderbroek. Het ondergoed werd vooral gemaakt uit linnen stoffen, maar soms ook wel eens uit katoen.
De hosen kunnen in de 15e eeuw vergeleken worden met een soort kousenbroek, met dit verschil dat ze over het algemeen niet werden gebreid, maar gemaakt werden van wollen of linnen stof met de naad aan de achterkant van het been. Ze werden met nestels aan het wambuis bevestigd. Dikwijls werden ze van zwarte stof gemaakt, een kleur die bij de burgerkleding toen veel voor kwam. Op de Vlaamse schilderijen en miniaturen heeft de ene helft van de hose dikwijls een andere kleur, het zogenaamde mi-partium.
Het wambuis werd over het hemd gedragen en bedekte het bovenlijf. Het werd langs de voorzijde gesloten en had lange mouwen. Het wambuis werd dikwijls uit zijde, damast of fluweel vervaardigd, voor het wambuis van de gewone burger werden goedkopere stoffen gebruikt. Het wambuis werd gevoerd met katoenpluis om de schouderpartij en de borstomvang van de man beter te doen uitkomen. Boeren en werklieden waren meestal gekleed in een rock van grove wollen stof. De rock werd evenals het wambuis over het hemd gedragen. Hij was meestal langer en wijder en bedekte het lichaam tot net boven de knieën. Op de heupen werd de rock samen gegord met een riem.
De tabbaard (Fr. houppelande) was een wijd overkleed dat voornamelijk buitenshuis gedragen werd over het wambuis of de rock. Men kende korte en lange exemplaren. Behalve dit onderscheid kende men tabbaarden met en zonder mouwen. De voor de tabbaard gebruikte stof was bijna altijd wol, en hij was meestal gevoerd met bont of met een qua kleur contrasterende stof.
De huik (hoycke, hoyke) is een soort mantel die op de schouder of op de borst werd dichtgeknoopt, en dikwijls uit wollen stoffen werd vervaardigd. De hoycke had geen mouwen, maar dikwijls een lange opening aan de zijkant, waardoor een arm kon worden gestoken. Ze kon zowel lang als kort zijn.

De kledij van de burgervrouwen uit deze tijd bestond voornamelijk uit ondergoed, hosen, een onderkleed enigszins te vergelijken met de jurk, de tabbaard, hoyke en of mantel en de kovel. Het hoofd werd bedekt door een linnen hoofddoek die met spelden werd vastgezet.
Vrouwenhemden waren net zoals bij de mannen gemaakt van linnen of katoen en hadden meestal lange mouwen. Waarschijnlijk werd door vrouwen ook gebruikt gemaakt van een onderbroek, hoewel hier geen bewijs voor is.
Een vrouwenhose zag er anders uit dan de mannenversie. Waar de mannen een soort kousenbroek droegen, hadden de vrouwen een kniekous.
Het onderkleed was een jurk met een strak lijfje en een wijde rok. De hals was vaak vrij diep uitgesneden. Rijkere vrouwen lieten de mouwen van deze onderjurk vaak uitvoeren in deftige stoffen als damast, fluweel of zijde.
Het overkleed werd in het oosten van de Nederlanden en in Duitsland tabbaard genoemd. Het was een wijd kledingstuk dat vaak van een sleepje was voorzien, dat bij het lopen moest worden opgenomen. De mouwen waren vaak kort of waren voorzien van een split die liep van de schouder tot de pols waardoor de mooie stof van het onderkleed zichtbaar werd. Om de tabbaard werd meestal een gordel gedragen.
De huik was eigenlijk een 'unisex' kledingstuk wat er bij mannen en vrouwen ongeveer hetzelfde uitzag.

Mode en ontwikkeling
Kan men in het burger milieu van de late 15e eeuw spreken van mode? Misschien wel, maar niet in de tegenwoordige zin van het woord. Vandaag is er elk seizoen sprake van een nieuwe mode. In de hier besproken periode blijkt dat kleren vele jaren meegingen. Ze vererfden dikwijls en werden door de erfgenamen opnieuw gedragen.
Men kan wel regionale verschillen in kleding bespeuren en ook is er over langere perioden een evolutie te zien.

Wednesday, April 25

Chaos

I probably won't be posting as much as I would like to, the next few weeks (months??).. My life is a bit chaotic at this moment:
- finishing the phd
- networking to find a new job
- moving to a new city and finding a house there
- ...
And my home internet connection will probably be cut off soon (hopefully not to soon!)

Anyway, I hope I will be able to keep in touch every now and then!

Tuesday, April 24

Danske kirker. Epitafier og gravsten.

"Danish churches. Effigies and graves." is a project carried out by Dorothy Jones, Erik Fjordside and Camilla Luise Dahl, to make a pictorial inventory of all effigies and graves, as well as the paintings often hung above the graves.

So far they have a growing collection of effigies depicting 17th century civil dress.

It's a bit out of period here, but I think it's such a great project I'll post a link to their website anyway!

http://www.livinghistory.dk/

Sunday, April 22

A fretworked veil? The headdress of Catherine De Beauchamp

The following article was published (in Danish) in: Sturtewagen, Isis (2007), En kruset hoveddug; Catherine de Beauchamps hovedtøj. (A Frilled Veil; The Headwear of Catherine de Beauchamp) In: Peter Vemmning (ed.), Middelaldercentrets Nyhedsblad, vinteren 2006/07, pp. 20-21. Nykøbing: Middelaldercentret.

In May 2006 I was invited by Camilla Luise Dahl from the Middelaldercentret in Nykøbing, Denmark, to research the background to the quite remarkable veil worn by Catherine de Mortimer on her burial tomb. I have been supplied with detailed photos of the tomb by Catherina Oksen, an archaeologist connected to the Middelaldercentret.

Catherine Mortimer was born ca. 1314 in Wigmore, Herefordshire, England. When she was fourteen years of age she married Thomas de Beauchamp, 11th Earl of Warwick. Catherine died c. 1370. She was buried in a tomb, dated c. 1370-1375 in St. Mary's Chapel, Warwick, England, together with her husband. The tomb shows Catherine wearing a frilled veil, which consists of two elements: one twelve layered veil with a 'checker' or ‘honeycomb’ pattern and a single layered veil with small rounded pleats or frills on top (Fig. 1). The sides of the tomb are decorated with both male and female mourning figures of which the female figures also feature the ‘honeycomb’ veils. They consist of fewer layers (three to four) and are rendered more stylized and less realistic than Catherine’s veil.

Fig. 1
The face of Catherine De Beauchamp, countess of Warwick, enclosed in a frilled veil, featuring a fine lattice pattern, c. 1370-1375. Tomb of Catherine De Beauchamp, countess of Warwick, St. Mary's Church, Warwick. Photo: Catharina Oksen, by permission.

At least a dozen of other examples of this same type of headwear can be seen in contemporary artwork. The earliest known example of the honeycomb-pattern in headwear is dated to 1356. On the western north-portal of the Münster in Ulm, Germany, we can see Saint Mary wearing a veil consisting of three layers of fabric somehow attached onto each other. (Fig. 2)
Other examples of this type of veil construction can be seen on sculptures in England, Flanders, Germany and Denmark.

Fig. 2
The Virgin Mary wearing a honeycomb veil consisting of three layers of fabric, 1356. The western north-portal of the Münster in Ulm, Germany. Photo: Isis Sturtewagen.

This type of frilled headwear, as discussed above, is often believed to be a mere stylisation, and was in reality no more than a pile of fluted fabric layers.
Several authors, on the other hand, interpret the honey-comb veil as being a sewn fretwork of layers of fabric. This technique is a method used during the 16th and 17th century for making frilled cuffs and collars. I have experimented with several methods to obtain the 'honeycomb' effect, as well as methods to achieve the single layered frilled veil Catherine wears on top of her fretwork veil.
Fretwork can be obtained by sewing several layers of fabric together at one edge in a certain manner. I first experimented with this technique by trying to reconstruct a sample of the veil as it can be seen on the western nord-portal of the Münster in Ulm. (Fig. 3)
After that I did several samples of possible variations on the method described above, to achieve an effect similar to the one seen on the tomb of Catherine de Mortimer, and other sculptures showing veils of the same type. A sample of one of the experiments trying to reconstruct Catherine's veil can be seen in Fig. 4.

Fig. 3
Experimental sample of the veil of Saint Mary as seen on the western north-portal of the Münster in Ulm, Germany. Photo: Isis Sturtewagen.

Fig. 4
Sample (reconstruction) of a possible construction method for Catherine's frilled veil based on 16th century sewing techniques. Photo: Isis Sturtewagen.

A more detailed and thorough report of my research to this subject will be published in the book 'Trimmed with Frills: Crimped, frilled and ruffled edges in women's headwear in medieval and early modern times'.

Select bibliography

Dahl, Camilla Luise: Kruseler og Krusedug. Herolden, årg. 9, nr. 2, 2005(a), pp. 14-19.

Lehnart, Ulrich: Kleidung und Waffen der Spätgotik, teil II. 1370-1420. Karfunkel Verlag Wald-Michelbach, 2003.

Liebreich, Anne: Der Kruseler im 15. Jahrhundert. Zeitschrift für Historische Waffen- und Kostümkunde. 1. Band der neuen Folge, Jahrgang 1923 – 1925. Verlag von Walter de Gruyter & Co. Berlin, pp. 218 – 223.

Norris, Herbert: Costume and fashion. Vol. 2. Senlac to Bosworth 1066-1485. London: Dent, 1950.

Rady, Ottilie: Der Kruseler. Zeitschrift für Historische Waffen- und Kostümkunde. 1. bd, Neuen Folge, Hft. 5. Jahr. 1923-25. Verlag von Walter de Gruyter & Co. Berlin, p. 131-136.

Scott, Margaret: A Visual History of Costume: The Fourteenth and Fifteenth Centuries. B. T. Batsford Ltd. London, 1986.

Steenbuch, Lene: Et rekonstructionsforsoeg af det krusede lin, kruseler, In: Herolden, årg. 9, nr. 2, 2005, pp. 20-21.

Sunday, April 15

And now for something completely different ...

With my boyfriend becoming a late 15th century knight and all, he off course needs a banner with his coat of arms.

The banner is about 1m by 1m. It's made of coarse linen, with a layer of hide glue on both sides. The paint we used is oil paint.

It is a work in progress but here is how far we got this weekend:


Unpainted birds (Merlettes)



Painted birds.


The backside of the banner still needs to be painted, the details on the birds need to be added (beaks, eyes, wings) and the black and white fields will be embellished with silver floral patterns.

Whitework sampler


This is my first "sketch" for the Feldbach tablecloth. The creature on the right is outlined using stem stitch, and I think I like that better. Below is a picture of this part of the tablecloth, from das Stickereiwerk. Next, I'm going to try the "rectangular" border below. It is done in interlacing stitch/ orientalischer Flechtstich. Help, it looks difficult :-) I found a picture of a 14th century German whitework wallhanging with the exact same border, so maybe this type of border was quite common.

Another 14th century tablecloth

I found this picture on Gunvor's website:

http://www.bildindex.de/bilder/MI00774c07a.jpg


It looks nice, with the fringe and all!

Wednesday, April 11

...

I have been away much longer than I intended to.
I have been studying.
I have been writing two papers, and there's still two more to do.
I have been working on an excavation in Antwerp.
I have been designing my webwite.

I haven't been doing much silkwork. Not to say none at all.
Which I seriously regret, since I had made so much plans in February. Now it'll take a lot of time before I'll be able to start, since my exams ar coming closer and closer.

I have started on making a bibliography on medieval textiles, of all the books and articles I own. It's not finished yet, but here's the current version:



Arts, Nico (1994), Steen, bouwmaterialen, glas, leer en textiel. In: Nico Arts, Sporen onder de Kempische stad: Archeologie, ecologie en vroegste geschiedenis van Eindhoven 1225-1500, pp. 255-259. Eindhoven: Museum Kempenland Eindhoven.

Barwasse, Monique & Olaf Goubitz (1990), Leder, hout en textiele vondsten. In: Clevis, Hemmy & Mieke Smit, eds., Verscholen in Vuil: Archeologische vondsten uit Kampen 1375-1925, pp. 70-99. Kampen: Stichting Archeologie IJssel/Vechtstreek.

Brakel, Justine J. (1995), Bijdrage tot de geschiedenis van de laat-Gotische goudborduurkunst in de Zuidelijke Nederlanden: de groene kazuifel van de St.-Petruskerk te Leiden. Belsele: Culturele Kring Boudelo.

Ceulemans, C. & E. Deconinck & J. Helsen, red. (1988), Tongeren, Basiliek van O.-L.-Vrouw Geboorte; I. Textiel: van de vroege middeleeuwen tot het Concilie van Trente. Leuven: Peeters.

Clemens, Lukas & Michael Matheus (1996), Die Walkmühle. In: Uta Lindgren, Europäische Technik im Mittelalter: 800 bis 1200; Tradition und Innovation; ein Handbuch, pp. 233-234. Berlin: Gebr. Mann.

Clemens, Lukas & Michael Matheus (1996), Tuchsiegel - eine Innovation im Bereich der exportorientierten Qualitätsgarantie. In: Uta Lindgren, Europäische Technik im Mittelalter: 800 bis 1200; Tradition und Innovation; ein Handbuch, pp. 479-480. Berlin: Gebr. Mann.

Crowfoot, Elisabeth (2001), Textiles and Clothing: Medieval Finds from Excavations in London, C. 1150 - C. 1450. Woodbridge: The Boydell Press.

Fereday, Gwen (2003), Natural Dyes. London: British Museum Press.

Geijer, Agnes & Anne Marie Franzén, Margareta Nockert (1994), Drottning Margaretas gyllene kjortel i Uppsala Domkyrka = The golden gown of Queen Margareta in Uppsala cathedral. 2. uppl. / omarb. av Margareta Nockert. Stockholm : Kungl. Vitterhets Historie och Antikvitets Akademien.

Haaren, H. van (1960), Naalden wekten wonderen, borduurkunst der late middeleeuwen in de Nederlanden. Amsterdam: Museum Fodor.

Heinemeyer, Elfriede (1966), Zwei gotische Frauenhaarnetze. In: Gesellschaft für historische Waffen- und Kostümkunde, Waffen- und Kostümkunde. Band 8, Jaargang 1966, Heft 1, pp 13-22. München & Berlin: Deutscher Kunstverlag.

Hofenk de Graaff, Judith H. (2004), The Colourful Past: Origins, Chemistry and Identification of Natural Dyestuffs. Riggisberg: Abegg-Stiftung & London: Archetype Publications.

Kunze, Arno (1967), Zur Geschichte des Nürnberger Textil- und Färbergewerbes vom Spätmittelalter bis zum beginn der Neuzeit. In: Gerhard Pfeiffer et al, red., Beiträge zur Wirtschaftsgeschichte Nürnbergs, Bd. 2. Beiträge zur Geschichte und Kultur der Stadt Nürnberg, Bd. 11, pp. 669-699. Nürnberg: Selbstverlag des Stadtsrats.

Magagnato, Licisco (1983), Le stoffe di Cangrande: ritrovamenti e ricerche sul 300 veronese; Estate teatrale veronese. Catalogue exhibition Verona, sala Boggian di Castelvecchio, aug.-sept. 1983.

Nörlund, Poul (1924), Buried Norsemen at Herjolfsnes: an archaeological and historical study. Meddelelser om Gronland: Udgivne af Kommissionen for ledelsen af de geologiske og geogrfiske undersogelser i Gronland. Bind LXVII. Kobenhavn: C.A. Reitzel.

Spies, Nancy (2000), Ecclesiastical Pomp & Aristocratic Circumstance; A Thousand Years of Brocaded Tabletwoven Bands. Jarretsville: Arelate Studio.

Stauffer, Annemarie (1991), Die mittelalterlichten Textilien von St. Servatius in Maastricht. Riggisberg: Abegg-Stiftung.


It should become at least twice as long when I've added all articles in my little library to it.
I'm also working on a seperate bibliography for everything I have on medieval and historical costume.

Wednesday, April 4

Thread counts of medieval linen fabric

I've been trying to find out what type of linen works best for recreating a 14th century embroidered linen tablecloth. For some of the stitches used, you have to count the threads of the ground fabric (e.g. Gobelinstich/satin stitch/brick stitch), while other stitches don't require counting (e.g. stem stitch). If you combine the two types of stitches in one work, you need linen that is both fine enough for the stitches without counting and “loose” enough for the counted stitches.

These are data about the linen fragments discussed in “Textiles and clothing”

Period Thread counts
1375-1400 nr of threads per cm, warp/weft: 20/ 19
1400-1450 . : 22/ 22

This type of linen is quite fine/ tightly woven. It doesn't work for counted stitches, but you can use it very well for other types of stitches.
Jenny Schneider describes the thread count of a number of embroidered Swiss linen tablecloths:

Period Thread counts
1200-1250 nr of threads per cm, warp/weft: 13/ 14
1300-1400 .. : 15/11
1450-1500 .. : 14/14

I tried working with 11/11 threads/cm linen, but that is too loose. Now, I'm experimenting with linen fabric with a thread count of about 14/14 or 15/15, and I think that works best for both types of stitches.

Crowfoot, E., Pritchard, F., Staniland, K. (2002), Textiles and clothing: c.1150-c.1450, Woodbridge, The Boydell Press
Schneider, J. (1972), Schweizerische Leinenstickereien, Bern: Verlag Paul Haubt

Contact

Name

Email *

Message *